Bij de kinderboerderij vlakbij mijn huis zijn biggetjes geboren. Maar liefst dertien stuks. Bij zo’n grote worp biggen zie je altijd een flink onderling verschil in grootte. Nu ook; de grootste varkentjes zijn zowat tweemaal zo groot als hun kleinere broertjes of zusjes. Na een paar dagen bleek er eentje echt heel klein te blijven. Ik noemde die ‘het dertiende biggetje’ en maakte me een beetje zorgen. Waren er eigenlijk wel genoeg tepels? Zo’n moedervarken heeft er twaalf meende ik... Er overviel me een soort mededogen met ‘nummer dertien’. Meestal is het natuurlijk goed als de natuur niet laat doorleven wat geen kans heeft. Maar mijn hart trekt nu eenmaal altijd naar dat wat in de verdrukking komt, en ik wens dan dat het krijgt wat het nodig heeft.
Ik heb dat van die tepels nagezocht (lang leve internet). Wilde zwijnen hebben er inderdaad twaalf, maar tamme varkens wel achttien tot tweeëntwintig (waarvan er overigens meestal maar veertien melk geven). Dus de voedselvoorziening voor ‘het dertiende biggetje’ zou in orde moeten zijn.
Daarstraks ben ik weer even gaan kijken. Alle biggen zijn gegroeid, het hele kleintje ook (naar rato). Meestal slapen de varkentjes, bovenop elkaar gestapeld, of ze hangen met z’n allen aan de zeug, maar als ze gaan lopen zijn het, hoe mini ook, al complete varkentjes met hoefjes en stopcontact-neusjes. Ook ‘het dertiende biggetje’ stapte vanmiddag parmantig rond. Het zal dus wel goed komen, denk ik opgelucht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten