maandag 30 maart 2015

Digi-dwang

In de afgelopen tijd maakte ik een paar sterke staaltjes mee van wat ik ‘digi-dwang’ ben gaan noemen: de verplichting om uitsluitend te kunnen communiceren via digitale media.
Op zich heb ik niets tegen deze mogelijkheden, anders had ik bijvoorbeeld dit weblog niet, en maakte ik niet zo graag en veelvuldig gebruik van e-mail.
Het wordt iets anders wanneer het digitale de enige mogelijkheid wordt. Bankzaken regelen of je verzekeringsgegevens inzien via je account vind ik reuze handig. Maar minder handig wordt het als je je wild moet zoeken naar een telefoonnummer, of alleen contact kunt leggen met de klantenservice via een contactformulier, en geen invloed hebt op wanneer je antwoord krijgt; beloftes ‘binnen zoveel werkdagen’ worden vaak niet nagekomen. Iets vragen gaat hoe dan ook vaak fijner als je een echt mens aan de lijn kunt krijgen en zonodig nog even kunt verduidelijken wat je bedoelt, zeker als dat wat je wilt weten, veronderstelt dat je vergevorderd ingevoerd bent in een bepaald jargon (zoals bij mijn internetprovider).
Een smartphone wordt langzamerhand een onlosmakelijk stukje harde schijf van onze hersenen. Het regent ‘apps’ waarop je achtergrondinformatie vindt, lijstjes kunt bijhouden of routebegeleiding krijgt in museum, wandelbos of supermarkt.
Een recente vorm van digi-dwang die ik tegenkwam, is dat mijn vriendin haar verhuizing alleen digitaal kon doorgeven aan haar gemeente. Daar kwam zij nog wel uit (het moest met DigiD), maar wat moeten mensen die geen computer hebben en/of er niet mee om kunnen gaan en het ook niet meer zullen leren? Wat is er mis mee, als een klein deel van de populatie nog gewoon even langs gaat bij het stadhuis, of belt, of een formulier invult en opstuurt? Die uitweg stond nergens vermeld.
Het andere voorbeeld gebeurde tijdens een congres. De aanwezigen mochten reageren op stellingen via een ter plekke te downloaden ‘app’ op hun smartphone. Nu was dit wel een gezelschap waarin de digitale hulpmiddelen goed zijn doorgedrongen, maar toch waren er nog zat, waaronder ik, met een ouderwets bel-doosje. Ik voelde me ineens oud en hield mijn mond. Gelukkig kwam er licht gemor van enkele jongere deelnemers en vroegen die ‘gewoon’ het woord als ze iets te zeggen hadden. De stellingen vormden weliswaar geen essentieel programma-onderdeel, maar toch werden zo de niet-smartphonebezitters genadeloos van het peilingspelletje buitengesloten. Ik verlangde terug naar de groene en rode ‘stemkaarten’...
Natuurlijk weet ik hoe het verder gaat: op een gegeven moment schaf ik toch een smartphone aan, ga hem gebruiken en heb er vast een hoop plezier van. Maar ik hoop wel, dat ook degenen zonder dit implantaat (niet-willers en niet-kunners), volwaardig mogen blijven meedoen in onze maatschappij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten